Herfstdagje (30)

Begin oktober reizen mijn vriendin en ik van het hoge noorden naar het uiterste zuiden van Nederland, we genieten van een lang weekend in Zuid-Limburg. Wat een prachtig wandelgebied is dat, het heuvellandschap en de vakwerkhuizen geven je direct een ‘buitenland-gevoel’.

Maastricht bezoeken wij op de zondagochtend, lekker rustig nog. De stadswandeling brengt ons in de Onze-Lieve-Vrouwekerk of ‘De Slevrouwe’ zoals men in Mestreech zegt. Het is een prachtige sfeervolle Romaanse kerk waar alle bezoekers stilstaan en een kaarsje branden bij het fraaie uit hout gesneden beeld van Maria Sterre der Zee. Maar mijn aandacht wordt nog meer getrokken naar het beeld dat direct bij binnenkomst in een nis staat, de heilige Christophorus, ‘Christusdrager’ betekent zijn naam, beschermheilige van de pelgrims en reizigers. Hij is één van mijn favoriete heiligen.

Een middeleeuwse legende vertelt over hem dat hij groot en sterk was als een reus, zijn naam was Reprobus, hij had het verlangen om de machtigste vorst op aarde te zoeken en te dienen. Maar op zijn zoektocht wordt hij keer op keer teleurgesteld. Dan ontmoet hij een oude kluizenaar die hem raad geeft: “Jij bent groot en sterk, ga bij die wilde, gevaarlijke rivier wonen en draag de reizigers veilig naar de overkant. En wacht ondertussen en heb geduld… wie mensen helpt, zal de machtigste koning vinden.”

Vele jaren is Reprobus een veerman zonder boot, hij is zelf een levende brug tussen beide oevers; met zijn staf als ondersteuning draagt hij vele mensen op zijn rug door het water naar de overkant. Hij is een levende verbinding geworden en leert zo wat verbondenheid betekent en dienstbaarheid.

Dan klinkt er in een nacht de stem van een kind, tot driemaal toe roept het en vraagt om overgezet te worden. Dat lijkt een gemakkelijke klus, maar met iedere stap die de reus Reprobus zet wordt het kind zwaarder, zo zwaar dat hij dreigt te bezwijken. Met enorme krachtsinspanning weet hij de andere oever te bereiken. Dan pas openbaart het kind zich als Christus: “Verwonder je niet dat ik zo zwaar weeg, want ik draag de last van de wereld… jij hebt in je arbeid bij de rivier mij gediend.” Het kind doopt hem in het water van de rivier en schenkt hem een nieuwe naam: Christophorus.

Ik vind het een ontroerende en troostende legende die iets uitbeeldt van onze eigen levensweg. Voor mij spiegelt Christophorus ook welke zuigkracht er uitgaat van datgene wat het sterkste en machtigste lijkt op aarde, een dwaalweg die ontmaskerd wordt door zijn ontmoeting met Christus. Wanneer hij het kind op zijn schouders neemt, is hij een Christusdrager geworden, een beeld dat ik verbind met Lied 601 (liedtekst van Huub Oosterhuis):

Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.

 Matty Metzlar

Herfstdagje (29)

Foto: Alex Wiersma

Op donderdagavond heb ik mijn wekelijkse verzetje: ik doe een cursus theatermaken bij Vrijdag, het vroegere Kunstencentrum. Even achter de laptop vandaan, op de fiets door het Noorderplantsoen naar het Prinsentheater. Ik houd mijn hart vast hoe lang dit nog kan maar tot nu toe gaat het gewoon door. In de eerste twee lessen ging het over inspiratie, in les drie en vier stond het gebruik van de ruimte centraal.

De opdracht van de vorige les was om één groot ding mee te nemen of veel van iets kleins. Ik haalde mijn oude smurfenverzameling van de zolder en in overleg met mijn medecursisten werden de blauwe wezentjes het onderwerp van een talkshow, waarin een voorstander en een tegenstander van de smurfen elkaar naar het leven stonden. The black-lives-matterdiscussie werd een blue lives matter. De discussie eindigde met twee tegenstanders die elkaar met smurfen bekogelden. Een andere cursist vertelde heel poëtisch met een oude wereldbol voor zich in welke landen ze allemaal geweest was en welke plekken nog op haar verlanglijstje stonden. Duitsland was nog verdeeld in een westelijk en oostelijk deel, de Sovjetunie bestond nog en Tsjechoslowakije was nog één land. Door de jaren heen was een eiland van de wereldbol verdwenen en Argentinië uitgeveegd… Een ander duo had van lucifers en waxinelichtjes allemaal spelletjes gemaakt: een sjoelbak, tafelvoetbal, Triviant (het waxinelichtje was in partjes gebroken) en een toren van lucifers.

Na zo’n avond ga ik voldaan naar huis, enthousiast over zoveel creativiteit. De cursus laat je op een andere manier naar dingen kijken: met een paar stoelen, een tafel en een paar zakjes chips ontstaat al een scène, een stapel stoelen leidt tot een stoelendans. Door voorwerpen uit hun context te halen en in een andere omgeving te plaatsen ontstaat een andere blik op de werkelijkheid.

Zo zag ik ook de kindervoorstelling ‘Vaar mee op de Ark van Noach’ in de Nieuwe Kerk. Kinderen mochten zich verkleden als hun lievelingsdier en hun knuffel meenemen, die meevoer in de ark. De kerk werd een schip, een ouderling met een gieter werd Noach, getrommel op de banken werd een regenbui. Het toneelspel werd ondersteund door animaties op een groot scherm. Kinderen keken met open mond toe.

Voorstelling ‘Snorro’ in het Prinsentheater Groningen (2012). Foto: Wendy Eggen

In de loop der jaren heb ik al de gekste rollen gespeeld: van baby tot overspelige echtgenoot, van buikspreekpop tot generaal. In een voorstelling in het kerkje van Woltersum brachten we twee vroeg overleden kinderen weer tot leven en in een andere voorstelling vertolkte ik als alter ego de ware gevoelens en gedachten van een overspelige man. Theater biedt de mogelijkheid om even in de huid van een ander te kruipen en uit het alledaagse leven te stappen. Vooral in coronatijd, waar weinig kan en er door het thuiswerken weinig interactie is, is het verfrissend om je zinnen te blijven verzetten. Spelen verruimt je geest.

 Tim Smid

Herfstdagje (28)

“Wat vond je leuk toen je een kind was”, vroeg iemand me ooit toen ik als begin veertiger weer eens wanhopig op zoek was naar wat ik wilde met mijn leven. Het is een interessante vraag en ik leef gelukkig al een leven dat vrij dicht bij mijn jeugd gebleven is. Ik struin elke dag met mijn hond door de natuur, ik schrijf nog steeds brieven en verhaaltjes, er is altijd een boek, alle Marie Kondo boeken ten spijt verzamel ik nog steeds en ik speel nog steeds vadertje en moedertje al is dat al 18 jaar niet meer ‘doe alsof’ maar ‘voor het echie’.

Toen, een half jaar geleden alweer, corona ons leven overhoopgooide, had ik dus niet zo veel aan de tips om corona te overleven. Ik wandelde al iedere dag. Ik bakte maar wat vaker brood, las iets minder dystopische jeugdboeken en iets meer: ‘alles komt goed boeken’ van Ierse schrijfsters. Langzaamaan ging ik wel steeds vaker zuchten. Zeker toen het in augustus doordrong dat we hier niet zomaar weer mee klaar zouden zijn.

“Dat deed ik toen ik acht was: zwemmen”, dacht ik toen een vriendin terloops half augustus zei: “ik ga zo nog even het water in bij het stadsstrand.” Sinds dat moment lig ik drie à vier keer in de week in het Oosterhamrikkanaal. Ik heb een bloedhekel aan sport, maar buiten zwemmen is geen sport. Het is meditatie, natuur en de wereld uit een heel ander perspectief bekijken.

Ik zag liggend in het water een reiger met een scheef oog naar me kijken. Vier jonge veel te laat geboren eendjes die nieuwsgierig naar me toe zwommen. Visjes die boven het water uitsprongen en afgelopen maandag vloog er een ijsvogel langs mijn hoofd verderop de rietkraag in.

Op de terugweg heb ik, vanuit het water, zicht op zowel de Nieuwe Kerk als de Martinitoren en dat is passend. Zwemmen is meer kerk dan sport voor mij. De man zegt dat ik minder zucht. Het is al oktober en het water wordt venijnig koud. Dus als u straks twee veertigers in een wetsuit in het kanaal ziet liggen, dan zijn wij dat. Het voelt te goed om op te geven, alleen omdat het toevallig al herfst is!

Marieke Laauwen

Nazomerdagje (27)

U had nog een Zomerdagje van mij tegoed. Twee weken geleden wist ik het even niet. Het weer was grijs, ik was alweer een aantal weken aan het werk en er was nog geen uitzicht op het moment dat ik weer naar kantoor kon. (Dat is er overigens nog steeds niet.) Daar zat ik, weer een dag aan de achterkamertafel achter mijn laptop. ‘Waar doe ik het voor?’, vroeg ik me af. Teksten produceren voor een website en nieuwsbrieven, waarvan het de vraag is of ze wel gelezen worden. Hoe lang nog? Een Zomerdagje moet opbeurend zijn, een hart onder de riem. Het gaat dus niet over een grijze straat en een eenzame ambtenaar achter zijn laptop. Het Zomerdagje bleef achterwege…

Kort daarna was de eerste Martinidienst van het seizoen, de eerste live in de kerk, op anderhalve meter afstand. De lezing was uit 1 Koningen, waar God Salomo in een droom verschijnt. “Vraag wat je wilt en ik geef het je”, zegt God. Salomo antwoordt bescheiden: “Ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. Geef mij wijsheid.” Ik moest denken aan de woorden van Marianne Williamson uit ‘Onze diepste angst’ tijdens de inauguratie van Nelson Mandela: “We vragen onszelf af: wie ben ik om briljant, slim, talentvol en prachtig te zijn”.

Ik zat weer even achter de laptop. Wie ben ik? Ik werk alleen aan mijn achterkamertafel voor een grote organisatie in een kleine provincie in een klein land. Wat draag ik eigenlijk bij aan deze wereld? Ik vind geen medicijn tegen corona, want ik ben geen arts. Ik houd de economische crisis niet tegen en ik kan de vluchtelingencrisis niet oplossen. Ik schrijf af en toe een stukje en steek daarmee iemand een hart onder de riem. Dat is het dan.

“Je bent een kind van God”, zegt Marianne Williamson. “Je dient de wereld niet met valse bescheidenheid. (…) We zijn allemaal bedoeld om te stralen, zoals kinderen dat doen. We zijn geboren om de glorie van God die in ons is tot uitdrukking te brengen. Dit is niet slechts weggelegd voor een enkeling van ons, maar voor ons allen. Als we ons eigen licht laten schijnen, geven we onbewust anderen de vrijheid dit ook te doen. Wanneer we bevrijd zijn van onze angst, zal onze aanwezigheid automatisch anderen bevrijden.”

We zijn er allemaal om de glorie van God tot uitdrukking te brengen, we moeten allemaal ons eigen licht laten schijnen. Ik lees dat als: al onze kleine lichtjes vormen één keten van licht. Al die eenlingen achter hun laptop vormen één netwerk. Ik ben niet de enige: achter een ander raam zit ook iemand te typen. Het is een troostende gedachte dat we allemaal in het klein onze bijdrage aan de wereld leveren, ook al is die soms bescheiden. En ook fijn om je te realiseren dat de grote koning Salomo ook zijn twijfels kende.

Onze diepste angst – Marianne Williamson

Onze diepste angst is niet dat we onvolmaakt zijn.
Onze diepste angst is dat we immens krachtig zijn.

Het is ons licht, niet ons duister dat ons het meest beangstigt.
We vragen onszelf af:
Wie ben ik, om briljant, slim, talentvol en prachtig te zijn?

Maar waarom niet?! Je bent een kind van God.
Je dient de wereld niet met valse bescheidenheid.

Er is niets verhevens in jezelf klein te maken,
zodat andere mensen zich niet onzeker zullen voelen.

We zijn allemaal bedoeld om te stralen, zoals kinderen dat doen.
We zijn geboren om de glorie van God, die in ons is, tot uitdrukking te brengen.
Dit is niet slechts weggelegd voor een enkeling van ons,
maar voor ons allen.

Als we ons eigen licht laten schijnen,
geven we onbewust anderen de vrijheid dit ook te doen.

 Tim Smid

Nazomerdagje (26)

Het is nazomer en de geur van de herfst zit al in de lucht. Wanneer ik ’s ochtends vroeg door de tuin loop is het gras nat en hangen overal al draden van spinnenwebben. Er vliegen veel ganzen over en ze maken dat typische geluid dat je met de herfst verbindt. Wat ik zo prachtig vind aan het najaar dat is het licht, de ongelooflijke helderheid van het licht waardoor kleuren en vormen zo mooi uitkomen. Het is vanwege dat licht dat zoveel kunstenaars naar het noorden trekken. Je kan eindeloos ver kijken, alles staat haarscherp afgetekend tegen de horizon en dan de luchten erboven met van die enorme wolkenpartijen die voorbij zeilen, je blijft ernaar kijken.

Ja, dit nazomerdagje wordt een loflied op het licht! En dat brengt mij bij een dichter: Hans Andreus (1926-1977). Tijdens mijn studententijd kwam ik in aanraking met zijn werk en het was liefde op het eerste gezicht, zijn poëzie vind ik inspirerend, sfeervol, mooi en helder qua taalgebruik. Hij wordt vaak ‘de dichter van het licht’ genoemd, omdat ‘licht’ een belangrijk woord is en eindeloos vaak voorkomt in zijn werk: het staat voor leven en liefde, voor beweging en genieten. Maar het licht kan bij hem ook schroeien, helder licht veroorzaakt diepe schaduwen, verrukking naast verschrikking, liefde en dood. Hij heeft deze tegenstellingen ook zelf ervaren in zijn veelbewogen leven. Hij maakte een ernstige psychische crisis door en had ook op het relationele vlak hoogte- en dieptepunten. Veel te jong is hij overleden op 51-jarige leeftijd aan kanker.

Vandaag lees ik zijn gedicht met de titel ‘Of hoe dat heet’. Andreus spreekt heel vertrouwd over het licht, alsof hij het eerder over iemand dan over iets heeft. Het licht ‘doet’ en ‘praat’, het lijkt iets te zijn waarmee hij een intieme band onderhoudt, een soort van ouderfiguur uit wie hij is voortgekomen. Het raakt aan religieuze taal: het licht waar wij mensen vandaan komen. Het lijkt alsof de dichter maar wat voor de vuist wegpraat, speels en lichtvoetig, een beetje zoekend naar woorden: ‘het licht of hoe dat heet…’. Maar juist daarmee zet hij je aan het denken, hoe heet dat eigenlijk, hoe noem je dat waar mensen vandaan komen?

‘Of hoe dat heet’

Gelukkig dat
het licht bestaat

en dat het met
me doet en praat

en dat ik weet
dat ik er vandaan

kom, van het licht
of hoe dat heet.

 Matty Metzlar

Zomerdagje (25)

“Stille leesfeestjes in de kerk, een uitkomst voor de gehaaste stedeling”, lees ik deze week in een kop in de krant. In de Utrechtse Jacobikerk ben je op zaterdagmiddag welkom om een boek te lezen in stilte. Het is een initiatief dat vooral gericht is op twintigers en dertigers, levend in de hectiek van de stad, een generatie die steeds minder tijd neemt om de stilte op te zoeken. Je zoekt een plek in de kerkbanken en mag ervaren hoe fijn het is om zonder prikkels van buitenaf te focussen op een mooi boek of wat meditatief te mijmeren. Een paar uurtjes hoef je niet op je smartphone te kijken en kun je je verliezen in een boeiende roman.

Binnen het studentenwerk hebben we in het afgelopen jaar een cursus aangeboden over de rol die de smartphone speelt in het studentenleven. Voor velen blijkt het toch een dwingende aandachttrekker te zijn, die maakt dat je voortdurend bereikbaar en beschikbaar wilt zijn. Sociale media bieden een gemak dat verslavend werkt. Sommigen spreken zelfs van het digitale proletariaat, wij mensen zijn afhankelijk gemaakt van Google en Facebook, bedrijven die grote economische macht hebben op het gebied van digitale netwerken voor informatie en communicatie.

Onderzoek onder studenten wijst uit dat een digitale detox van een week al grote effecten heeft. Studenten geven aan beter te kunnen focussen, omdat hun aandacht niet versnipperd raakt door de vele appberichtjes. Ze genieten intenser van een wandeling of van een treinreis, ervaren dat ze even vrij zijn omdat ze niet steeds op hun schermpje kunnen kijken. Andere studenten horen dat ze prettiger in de omgang zijn zonder het apparaat steeds bij de hand. Natuurlijk is een smartphone handig en fijn in de communicatie en informatie, zeker in coronatijd! Maar studenten geven ook aan dat ze graag bewuster willen omgaan met het gebruik van hun smartphone en dat valt nog niet mee. Toch geeft het hun voldoening om het apparaat regelmatig weg te leggen, buiten het zicht en gehoor te houden en alleen op vaste tijden te gebruiken. Regelmatig een digitale detox kan helpen om er nog bewuster en doordachter mee om te gaan.

In deze coronatijd merk je ook dat studenten online-moe zijn en het fysieke onderwijs erg missen. Daarom ben ik blij dat we in ieder geval weer kleinschalige activiteiten kunnen organiseren waar studenten elkaar ontmoeten en in gesprek kunnen gaan met elkaar. Want een stil leesfeestje in de kerk is een mooi initiatief, maar zeker studenten hebben ook sterk de behoefte om met elkaar in gesprek te gaan, bijvoorbeeld over een goed boek.

 Matty Metzlar

Zomerdagje (24)

Vorige week was ik bij de voorstelling DNA van Karin Noeken in de Groninger Archieven. Tussen de archiefkasten vertelde ze over de bijzondere figuren uit haar familiegeschiedenis. Zelf werd ze geboren in het revolutionaire jaar 1968. Het jaar van studentenprotesten, van de Praagse lente, de Vietnamoorlog, de moord op Martin Luther King en Robert Kennedy. Als kind was ze zich nog niet bewust van de bijzondere tijd waarin ze leefde.

De dag na de voorstelling ging ik op kraamvisite bij mijn jongste nichtje Lana. Haar naam betekent ‘kalm als stille wateren’. Tijdens ons bezoek lag ze rustig te slapen in de wandelwagen. Lana is geboren in 2020, het jaar van het coronavirus. Ze heeft er nog geen besef van.

Hoe zullen we ons 2020 herinneren, vraag ik me af. Dat hangt natuurlijk af van hoe lang het coronavirus nog duurt en de invloed die het heeft. Misschien zijn we het over een paar jaar wel weer vergeten. Of misschien komt er hierna nog wel een erger virus, waarbij COVID-19 in het niet valt.

Als ik terugkijk op 2020 tot nu toe, lijkt het één lange dag achter de laptop aan de achterkamertafel. Tekstjes typen, mails versturen en af en toe een telefoontje, tot het vijf uur is. Daarna verhuis ik naar de voorkamer. De gedachte dat dit nog een aantal maanden gaat duren, stemt mij niet erg vrolijk. Het liefst zou ik dit jaar achterlaten en met een schone lei beginnen. Met het vuurwerk van 2021 het virus uit het oude jaar verdrijven.

Maar er is geen vuurwerk, hooguit een paar kleine vonkjes. Ik geniet van een warme avond op het terras of het balkon, of een theatervoorstelling op afstand. Leven bij de dag werkt het beste: me verwonderen of vrolijk maken over wat toevallig voorbijkomt. Net als mijn nichtje van twee weken oud.

 Tim Smid

Zomerdagje (23)

“Er is nog zomer en genoeg
wat zou het loodzwaar
tillen zijn, wat een gezwoeg
als iedereen niet iedereen
ter wille was
als iedereen niet iedereen
op handen droeg.”
(Judith Herzberg)

‘Er is nog zomer…’, ja dat kun je wel zeggen deze dagen! Warm is het en ik geniet ervan. De zon maakt loom en ontspannen, dwingt me om mijn leef- en werkritme aan te passen. ’s Ochtends vroeg op, dan is het aangenaam om te werken. Op het heetst van de dag zit ik in mijn stoel te lezen onder de bomen die schaduw en enige verkoeling brengen, ’s avonds koelt het echt af en is het heerlijk om buiten te zitten, een beetje te mijmeren, de schemer te zien invallen met de vleermuizen die voor de overkapping heen en weer vliegen.

De woorden van Herzberg passen prachtig bij deze dagen. Toch beschouw ik haar tekst niet alleen als een positief en lichtvoetig gedicht. Wanneer je haar woorden aandachtig leest kun je er ook een vleug ironie in beluisteren, want niet iedereen is iedereen altijd ter wille, en niet iedereen draagt elkaar op handen.

Deze week is het Kei-week, de voorgevel van studentenvereniging Cleopatra is bekleed met 400 lege bierkratjes, maar de buitenkant is niet wat het lijkt. Het is dit jaar een introductieweek die grotendeels online plaatsvindt, zonder grote feesten, evenementen en muziekfestival, zonder een uitgebreid fysiek welkomstprogramma van de studentenverenigingen voor alle nieuwkomers. Jammer natuurlijk dat de eerstejaars op deze manier moeten starten met hun studententijd, maar de aanpassingen zijn ook verstandig, gezien de snelle stijging van het aantal coronabesmettingen.

Gisteravond was de 94-jarige Jan Hoek te gast bij Op1. Hij heeft een open brief geschreven aan jongeren met een dringende oproep om zich aan de coronaregels te houden: ‘Hou nog even vol, en je kunt over een jaartje weer helemaal los!’ Hij schrijft over zijn oorlogservaringen, vanaf z’n 15e tot 25e jaar stond zijn leven in het teken van oorlog en onvrijheid. Veel jongeren hebben hem een persoonlijke reactie teruggegeven, hij is erdoor verrast en geraakt. Zo ontstaat er een zinvol gesprek tussen de oude en jonge generatie.

Het zijn spannende en verwarrende tijden. Ik hoop van harte dat er een verschuiving op gang komt in onze geïndividualiseerde samenleving naar meer ‘ubuntu’-denken en -handelen. Dit is een Afrikaans begrip dat zoveel wil zeggen als ‘een mens is een mens door andere mensen’. Als eenling of als individu ben je niet zoveel en kun je niet zoveel, je wordt een mens in relaties en in verbondenheid met anderen, je bent afhankelijk van anderen, je bent onderdeel van een groter geheel en draagt ook verantwoordelijkheid voor dat grotere verband dat samen-leving heet. In het gedicht van Judith Herzberg lees ik eenzelfde verlangen naar verbondenheid en verantwoordelijkheid voor de ander. Alsof ze wil zeggen: “Ik ben omdat wij zijn.”

 Matty Metzlar

Zomerdagje (22)

“Vlieland veryupt. Vroeger kwamen er op het eiland keurige leraren en ambtenaren die een aantal weken kampeerden in een eenvoudige tent, nu komen er allerlei mensen uit de Randstad met een grote mond die gaan voor luxe en exotisch eten.” We zijn een aantal dagen op het mooie Waddeneiland en spreken eilandgangers die er al meer dan veertig jaar komen. Ze kijken afkeurend naar de nieuwe bezoekers van het eiland, terwijl ze bij de take-away van het Posthuys latte macchiato’s en cheesecake bestellen. Straks weer op hun e-bike naar de natuurcamping.

Van wie is het eiland eigenlijk, vroeg ik me af. Kan je als jarenlange bezoeker Vlieland claimen? Mijn man komt al meer dan veertig jaar op het eiland en zat vroeger met zijn familie twee weken in een tenthuisje. Nu zitten we met z’n tweeën in strandhotel Seeduyn, we slapen in boxspringbedden en hebben een balkon met uitzicht op zee. We eten noedels en risotto in het dorp en drinken een cocktail aan het strand bij ondergaande zon. De grootste luxe die mijn man veertig jaar geleden als kind had was patat speciaal in het Posthuys aan het eind van het eiland, meteen het hoogtepunt van de vakantie. Nu is het afgifteluik van de patatkraam verdwenen en kunnen bezoekers er kiezen uit een uitgebreide menukaart.

‘No man is an island’, zeggen ze in Engeland. Niemand staat op zichzelf. Wij veranderen en het eiland verandert met ons mee. In de dagen dat ik op het eiland zat volgde ik ook een discussie over hoe de PKN met zijn monumentale kerken omgaat. De kerkenraden zouden bij het afstoten van kerkgebouwen teveel kijken naar de financiën en te weinig oog hebben voor de functie waar het gebouw voor bedoeld is. Herbestemming van het gebouw zou afdoen van de heiligheid van het gebouw.

Van wie is de kerk? Is die alleen van de belijdende leden die jaarlijks hun Kerkbalans betalen of mogen niet-gelovigen er ook trouwen, een lezing houden of een voorstelling geven? In de toren van de kerk van Garmerwolde zag ik een tentoonstelling over religieuze feesten die op een creatieve, ondogmatische manier is opgezet. Met borstels uit een autowasstraat word je gereinigd van je zonden en met een lift maak je een hemelvaart die eindigt met een uitzicht over het Groninger land. Na afloop kun je lunchen met zelfgemaakte tosti’s en chutneys in het gebouwtje naast de kerk, terwijl je uitkijkt over oude grafzerken en het weidse landschap. In de Nieuwe Kerk bewegen dansers uit verre landen door de kerk en laten bassen het gebouw op zijn grondvesten trillen.

No man is an island. We hebben elkaar nodig. Nieuwe mensen zorgen voor nieuwe impulsen en nieuwe ideeën. Als je na een paar dagen uitgewaaid en zongebruind weer terugkomt op het vasteland, kun je er weer even tegen. Ik kan iedereen aanraden eens naar een eiland te gaan. Wat mij betreft is iedereen er welkom!

 Tim Smid

Zomerdagje (21)

De zon schijnt, heerlijk weer om even uit te waaien aan de Waddenkust. Ik besluit om te gaan fietsen naar Pieterburen, daar aangekomen parkeer ik mijn fiets en vanaf de Hoofdstraat loop ik het laatste stuk naar de dijk. Eerst wandel ik over een verharde weg langs vier monumentale boerderijen, die al generaties lang bewoond worden door dezelfde families. Ik loop langs uitgestrekte akkers waar het graan al hoog staat te wuiven, in de verte tekent zich de strakke lijn af van de Waddendijk. Ik passeer de boerderijen en loop over een smal karrenspoor, steek de oude zeedijk door, de slaperdijk en wandel verder. Het is stil, alleen het geluid van enkele meeuwen gaat met mij mee. Wat een ruimte is hier, het ruikt een beetje ziltig, je krijgt hier het ‘eilandgevoel’, boven mij welft zich een blauwe hemel met witte wolken, wat een geluk.

En dan ben ik bij de Waddendijk aangekomen, maak een klim omhoog en ben altijd weer benieuwd wat ik dan zal zien. Boven gekomen blijf ik staan bij paal 70. Voor mij strekt zich het prachtige landschap uit van het buitendijkse kweldergebied, uitlopend in het slik en het glinsterende water van de Waddenzee. Ik kan Schiermonnikoog zien liggen. De kwelders hebben een altijd wisselend kleurenpatroon afhankelijk van het weer en het seizoen. Het is stil, je ziet en hoort alleen vogels. Zeker bij hoogwater strijken er duizenden neer om te rusten en te eten. Dit is een plek die bij mij verwondering opwekt over het bestaan, de schepping en ontroering over de kwetsbaarheid van ons leven. Want je voelt je daar als mens klein, maar tegelijk ook verbonden met een geheel, opgenomen in een groter verband. Het is alsof eeuwigheid en eindigheid elkaar raken daar bij paal 70 op de dijk. En je beseft dat er ook strijd geleverd is en nog steeds wordt… ik sta op een dijk, product van menselijk ingrijpen om land te winnen en te beschermen. “Dei nait wil dieken mout wieken”, zeggen ze hier. Heftig is het water hier tekeer gegaan in het verleden, vele malen raasde een stormvloed over dit land. Maar nu liggen de akkers en de boerderijen er welvarend bij. Deze zomerse dag besluit ik met een mooi gedicht ‘Het wad’ van Johan van Delden.

Een ijle nevel, waardoor zonlicht dringt,
hangt boven slib en smalle kreken.
Een stilte, enkel onderbroken
door schor gekrijs van meeuwen.

Alsof de schepping zich herhaalt,
verschijnt het beeld van eeuwen:
land, water, lucht,
lucht, water, land.
Eb wacht op vloed,
die naderhand weer wijkt;
een rusteloze wisseling,
buiten de tijd bepaald.

Nog aarzelend ontsluit de zon
het buitendijks gebied,
waaruit een dwarrelende vlucht
van vogels zich begeeft
naar noordelijke streken.

 Matty Metzlar