Afscheid Matty Metzlar op 10 oktober 2021

Sinds 31 augustus 1997 is Matty Metzlar als studentenpastor verbonden aan het Groninger Studentenplatform voor Levensbeschouwing (GSp). Zij heeft te kennen gegeven met ingang van 1 november 2021 haar werkzaamheden te willen beëindigen.

Op zondag 10 oktober 2021 zal Matty voor de laatste keer voorgaan in de Martinidienst. Deze dienst begint om 11:30 uur in de Martinikerk te Groningen. Direct aansluitend op de viering nemen we tijdens een informele lunch afscheid van Matty.

Graag nodigen wij belangstellenden uit de viering bij te wonen en deel te nemen aan de lunch en afscheidsbijeenkomst. Als je op de uitnodiging in wilt gaan, geef je gegevens dan uiterlijk op 8 oktober door via het online aanmeldformulier. Dit is van belang voor de catering, alsmede voor een eventueel contactonderzoek vanwege corona. De gegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk voor dit doel. Op de pagina van het aanmeldformulier vind je ook nadere informatie met betrekking tot het afscheid.

Zomerdagje (62/slot)

Dag Zomerdagje!

Dit wordt het laatste Zomerdagje. Ik wens iedereen een mooie zomer toe. Met wegwaaiende muizenissen. Met spontane gesprekken op een bankje in het park. Met weer dat zich een beetje gedraagt. Zon, wind en water, maak het niet te gek! Want we willen naar buiten na die lange lockdown. We willen voelen hoe het ook al weer was om open te gaan. Laat dit laatste Zomerdagje het startsein zijn voor een onvergetelijke zomer. Zonder nieuwe beperkende maatregelen.

Op 15 maart vorig jaar schreef ik mijn eerste Alledagje. ‘Voor elke dag, zo lang het coronavirus het leven ontregelt, een hart onder de riem gestoken,’  stond erboven. ‘Weet wat je belooft,’ zei een collega, ‘je moet het ook waar kunnen maken. Wie weet hoe lang dit duren gaat.’ Hij kreeg gelijk. Het duurde en het duurde maar. Een hart onder de riem steken is maatwerk. Iemand moed inspreken lukt alleen als je weet hoe de ander er aan toe is en als jij bereid bent zelf niet op de kant te blijven zitten. Voor elke dag is dat best veel gevraagd, zelfs als je met zijn tweeën bent.

Het werd herkend. Tim Smid en Matty Metzlar kwamen er bij. Het Alledagje werd een Zomerdagje. De naamsverandering schiep de ruimte om af te schalen (ook zo’n relikwie uit coronatijd) naar twee keer in de week. Dat ging gelijk op met het gevoel dat het ergste wel eens achter de rug kon zijn. Te vroeg gejuicht. Het Zomerdagje werd een Herfstdagje. Alexandra Matz, Arjen Zijderveld, Erwin Landman en Marieke Laauwen sprongen bij als gastcolumnisten. Maar toen het Herfstdagje een Winterdagje werd schreven we allemaal om de beurt. En daar bleef het niet bij. Joanneke Smeenk en Wouke Mollema voegden zich in de kring. Het werd lente!

Nu zit ik hier dubbel gevaccineerd aan mijn laatste Zomerdagje. ‘Weet wat je belooft. Je moet het ook waar kunnen maken. Wie weet hoe lang dit duren gaat.’ De collega heeft gelijk gekregen. Ik kon het niet waar maken: ‘Voor elke dag, zo lang het coronavirus het leven ontregelt, een hart onder de riem gestoken.’ Maar sommige dingen worden pas waar, als je ze niet waar kunt maken. Dan pas ontdek je hoezeer je op elkaar bent aangewezen. Samen is het ons gelukt om steeds opnieuw een hart onder de riem te steken. Bij elkaar en bij zo veel lezers. Hoe kwetsbaar was het. En hoe kostbaar. Het zijn er in totaal (op de site van de Nieuwe Kerk) 181 geworden. Een dagboek van een gekke tijd. En als blijkt dat we te vroeg hebben gejuicht omdat deze tijd nog gekker is dan we al dachten, dan weten we elkaar opnieuw te vinden.

– Evert Jan Veldman

Zomerdagje (61)

De ongerechtigheid der vaderen

Ik vind het leuk om me te verdiepen in mijn familiegeschiedenis. Het grootste gedeelte van mijn familie leefde eeuwenlang in Groningen. Tegenwoordig kan je via wiewaswie.nl en allegroningers.nl vrijwel alle geboorte-, trouw- en sterfaktes digitaal vinden. Zo vond ik de geboorteakte van oma Els met mooie klassieke krulletters van mijn overgrootvader. Mijn meeste voorvaders waren smid of bakker of werkten op het land maar tussen al die namen kwam ik ook de chique naam van Balthasar Lijphart tegen. Hij was kapitein ter zee. Zijn zoon Onno werd in 1682 in de Martinikerk gedoopt. Meer dan 300 jaar later deed ik in diezelfde kerk belijdenis, trouwde ik er en bezoek ik nog geregeld de diensten.

Toen ik een tijd geleden in de Martinikerk kwam, viel mij in een van de ramen het wapen van de familie Lijphart op. Op het wapen stonden verschillende zwarte hoofden afgebeeld. Slaven? Zou mijn voorvader kapitein zijn geweest op een schip dat slaven vervoerde?

Als ik dit schrijf is het Keti Koti, de jaarlijks terugkerende Surinaamse feestdag om de afschaffing van de slavernij te vieren op 1 juli 1863. Bij deze dag wordt ook in Nederland steeds meer stil gestaan. Burgemeester Halsema bood namens de gemeente Amsterdam haar excuses aan voor de rol die de stad speelde in de slavenhandel. Onze voorouders speelden een niet al te frisse rol in deze geschiedenis en profiteerden flink van de slavenhandel. Mogelijk míjn voorouders ook…

Bijna 160 jaar na de afschaffing van de slavernij vraag ik mij af of ik mij nog schuldig moet voelen voor de handelswijze van mijn voorouders. Ik voel dat niet zo. Ik heb ze nooit gekend en ik had niets kunnen doen om hen op andere gedachten te brengen. Het was een totaal andere tijd en het is maar sterk de vraag of ze naar de wijze raad van een eenvoudige provincieambtenaar hadden geluisterd…

Wat kunnen we nu nog met die geschiedenis? Toen ik laatst nogmaals in de Martinikerk was, viel mij het nieuwste schilderij van Egbert Modderman op. Op het schilderij staat een zwarte man die een uitgeputte witte man te drinken geeft. Het is een moderne barmhartige Samaritaan. De donkere man heeft een waardige, trotse blik.

Voor mij is dit een mooie aanvulling op het verleden in de kerkramen van de Martinikerk. We kunnen het verleden niet uitwissen, maar we kunnen er wel elementen aan toevoegen. De man van kleur krijgt een waardige plek in de kerk en eist zijn plaats op in de geschiedenis.

Onze stadsdichter Myron Hamming (ook van kleur) zegt het zo:

“tijd kabbelt stilletjes voorbij en vergaat
Voor ons allemaal hetzelfde
Maar het verschil en daarmee het samenkomen
Schuilt in het terugblikken
In het samen vooruit durven kijken
Het beleven en het doorvertellen
Van dorp en Stad. (…)

Groninger ben je ontegenzeggelijk
Ongeacht de plek van je eerste thuis
Ongeacht een kleur of tint
Ongeacht van waar je kwam
Ongeacht de weg die je ook maar bracht.
Ongeacht hoeveel tijd je hier hebt liggen (…)”

– Tim Smid

Zomerdagje (60)

Met de eerste prik in mijn arm voelt het alsof de wereld op het punt van veranderen staat. Rationeel weet ik dat de wereld niet ineens weer normaal is als die tweede er ook in zit – bij mij thuis bijvoorbeeld is corona niet het enige dat het allemaal even anders maakt – maar een mijlpaal is het wel!

Met een prik voel ik me al ietsje veiliger en dus besloten een vriendin en ik onze woensdagse zwemsessie weer uit te breiden naar hoe we het vorige zomer deden. Eerst naar het Stadsklooster en dan het kanaal in. Zielzorg met een plons! Ik was laat bij haar en toen we net onderweg waren, moesten we terug. Mondkapje vergeten. We fietsten stevig door en waren om 1 over 9 bij de Lutherse Kerk. Precies op tijd om nog even aan een dichte deur te rammelen. Dat hele ‘op tijd’ ergens zijn is ook wel een heel erg 2019 concept natuurlijk.

Een kop koffie ergens drinken zat er niet in want een portemonnee hadden we ook niet bij ons. Bovendien we gingen bidden… Dus deden we wat we in alle coronaperikelen al eerder gedaan hebben en fietsten naar de St. Jozefkathedraal want de katholieken zijn altijd open.

Wist u dat de kathedraal van binnen in de steigers staat? Rustig was het er niet maar om de hoek vonden we toch wat rust in onszelf bij het Piëtabeeld. Een gebed uit mezelf halen was te veel gevraagd in een bouwplaats maar weesgegroetjes lukte wel!

In het water hebben we er nog eens hard om gelachen. Dat hele heropenen is nog best ingewikkeld! Volgende week proberen we het nog eens en soms is het feit dat je het probeert al heel wat!

– Marieke Laauwen

Zomerdagje (59)

Donderdagavond was zo’n avond die ik me herinner uit m’n jeugd. Een warme plakkerige zomeravond, Oranje die voetbalt op een eindtoernooi, beelden van versierde straten en mensen bijeengepakt bij elkaar uitgedost in vrolijk oranje. WA en Máxima op de tribune.

Het lijkt wel of we de afgelopen anderhalve week een andere wereld zijn ingestapt. De combinatie van een niet tegenvallende resultaten van de nationale ploeg, besmettingscijfers die werkelijk gekelderd zijn en het vaccinatietempo waar we misschien ook Europees kampioen mee kunnen worden zorgen voor een totaal ander sentiment. Een andere blik op de wereld.

En dan heb ik het nog niet eens over de lonkende zomer waarin we weer op vakantie kunnen, elkaar kunnen ontmoeten, kerkdiensten met veel meer gemeenteleden mogelijk lijken en de mondkapjes af kunnen.

Dit is een tijd van voorpret. Voorpret omdat we inmiddels echt geloven dat we het ergste achter ons hebben. Of dat zo is weten we natuurlijk niet, en het zal ook niet voor iedereen gelden. Ik denk aan mensen die hun bedrijf zagen instorten, die geliefden verloren of zij die te maken hebben met de symptomen van long-covid. Bovendien, wie weet wat de langetermijngevolgen zijn van deze pandemie?

Maar ondanks al die onzekerheden is het de hoop op een betere tijd die de sfeer tekent. Ik vraag mij af, doen wij in de kerk ook niet zoiets? Proberen we niet met andere verhalen, een andere kijk op de wereld, onszelf en elkaar eraan te herinneren dat de wereld niet samenvalt met hoe we die ervaren?

Binnenkort wordt onze dochter gedoopt. Over voorpret gesproken. Ds. Pieter Versloot wil binnenkort van ons weten wat onze motivatie is voor de doop. Waarom doen we zulke dingen in de kerk en met onze kinderen of als volwassenen? Verandert de wereld er door? Niet per se. De doopformule is geen toverspreuk. Verandert God er door? Ook niet, ik geloof niet in nood-doop. Ik denk, wat er vooral verandert is onze blik op de wereld en op onze dochter. We weten dat ze van God is, maar soms moet je het ook even zien.

Er zit iets sacramenteels in alle oranjefeesten. We zien, proeven en ervaren dat het de goede kant op gaat. En dat pakt niemand ons af, ook niet als de Duitsers, let op mijn woorden, de Duitsers, het feestje komen verstieren.

– Arjen Zijderveld

Lentedagje (of zomerdagje?) (58)

Ik mag een zomerdagje schrijven! Het lijkt of we in één keer, van nog bijna winterse temperaturen, in één nacht de zomer zijn ingegaan. Heerlijk! Jurkjes, blote benen en in mijn geval laarzen, leren handschoenen en een overall met gazen kap.

Als imker sta je in het lekkerste weer iedere dag in warme kleren. Het was bijna de hele lente te koud om mijn kasten te openen, dus dit weekend moest alles tegelijkertijd. Ik had een mooi plan gemaakt en als altijd fietsten de bijen er dwars doorheen. Het begon vrijdag met een zwermmelding. Ik en een vriendin schepten twee zwermpjes en ik gebruikte voor het eerst mijn strokorf. Vooral mooi toen ik de zwerm in het donker ging ophalen (je haalt ze op als alle bijen binnen zijn) en ik met die korf op mijn fiets richting huis ging.

Ik controleerde mijn eigen volken en zette een gekregen volk op een nieuwe kast om naar de boomgaard van een vriendin te verhuizen. Het was druk en heerlijk.

Maandagmiddag had ik dan toch uren achter mijn laptop gepland, maar toen appte een imkervriendinnetje. Ze moest er even uit. Had ik thee? Bij dat afschuwelijke ongeluk in Borger zondagavond kwamen twee leden van haar wandelclub om. In de afgelopen twee jaar kwam er al twee keer iemand van diezelfde club van oorspronkelijke 15 leden in het verkeer om. We dronken thee en toen deed ik wat we doen bij verdriet en onrust. Ik stelde voor om toch even een kast te gaan openmaken.

‘Weet je het zeker?’, vroeg ze. ’Wie weet, kost het je een goede moer’. Vorig jaar toen mijn vriend in zijn death watch cel heel slecht nieuws gehad en ik het even helemaal niet meer zag zitten, nam ze mij mee naar de bijen. Want in de bijen kun je niet piekeren. Het is hier en nu en al je zintuigen lopen vol met het geluid, de geur, de beweging van bijen. Het geeft rust en focus. Maar soms gaat het mis Vorig jaar merkten we een prachtige nieuwe koningin. En toen bij het weer uit het vangkooitje laten lopen, kwam ze vast te zitten en ging dood. Mijn vriendin was zo boos op zichzelf. Ik nam je mee om je te troosten en nu heb ik die koningin gewoon geëxecuteerd. Ik heb tranen gelachen en we hielden elkaar, in de tweede week van de allereerste lockdown toch even vast.

Gisteren ging alles goed. We werkten, we keken en we vergaten even alles wat niet deugt in de wereld. Imkeren is hard werken maar soms is het ook rust, schoonheid en troost!

– Marieke Laauwen

Lentedagje (57)

Maria van Mierlo deelt dagelijks op Twitter een regel van Benedictus. Van Mierlo is communicatieadviseur en schrijver en noemt zichzelf cisterciënzer leek. Enthousiast over haar initiatief, besloot ik haar tweets te gaan volgen. Ik vond het een mooie tegenhanger voor alle meningen en gespeelde verontwaardiging die je dagelijks op dit medium tegenkomt. Totdat ze bij regel 5b kwam:

“Doe afstand van je eigen wil. Dit vraagt gehoorzaamheid. Oefen dit door te luisteren naar wie boven je staan.”

Dat beviel me niks, gehoorzamen en luisteren naar wie boven me staan. Daar ben ik veel te dwars en te kritisch voor. Het is toch goed dat je niet klakkeloos bevelen opvolgt en luistert naar de bestuurders? Het is toch belangrijk dat bestuurders kritisch gevolgd worden door volhardende volksvertegenwoordigers of doortastende journalisten? Kijk maar naar de kindertoeslagaffaire of verder van huis naar protestbewegingen in landen waar de democratie onder druk staat.

Maar vlak na het bericht op Twitter volgde er een bijsluiter van Maria van Mierlo: gehoorzamen bestaat uit twee delen, horen en samen. Gehoorzamen betekent: niet willen dat de dingen anders zijn dan ze zijn, je voegen naar het bestaan.

Dat is een regel waar ik wel wat mee kan, vooral in deze tijd van de coronacrisis. Het is even niet anders. We kunnen niet in groten getale naar de kroeg of het theater, en feestjes of een housewarming zitten er even niet in. Ik volg rustig onze leiders Mark Rutte en Hugo de Jonge (hoewel ik wel een mening over hun beleid heb…) en probeer te waarderen wat ik zonder al die publieke activiteiten wel heb: een fijne relatie, een comfortabel huis en een paar goede wandelschoenen, waarmee ik de Drentse bossen kan verkennen.

Ook na corona hoop ik de regel van Benedictus te kunnen bewaren en goed naar mezelf te luisteren of de dingen die ik doe werkelijk nodig zijn om te doen. Moet ik al die meningen op Twitter lezen? Moet ik al die theatervoorstellingen zien? Moet ik bij elk feestje aanwezig zijn? Moet ik overal een mening over hebben?

In de meest recente regels van Benedictus die Maria van Mierlo deelt op Twitter gaat het over de trappen van nederigheid: je eigen wil loslaten, volgzaam zijn, geduldig, tevreden zijn met wat je hebt en pas spreken als je iets gevraagd wordt. Om deze regels op te kunnen volgen, moeten er nog veel stappen gezet worden. Daar zijn goede wandelschoenen voor nodig…

– Tim Smid

Lentedagje (56) – Stranddagje

Dit lentedagje is een stranddagje. Deze week was iedere dag – tot mijn grote geluk – een stranddag. We zijn even aan zee. Het was er een paar jaar niet van gekomen door renovaties, hernia’s en wilde andere plannen waar corona een stokje voor stak. Mijn ouders kochten een huisje aan het strand toen mijn zoon een jaar oud was (ondertussen woont-ie op kamers) en jaren waren we hier zeker 5 weken per jaar…

Ik weet niet eens goed hoe ik moet opschrijven wat het strand met me doet, want één van de dingen die het strand met me doet, is me de woorden benemen. Aan het strand ben ik en kijk ik en adem ik diep in en uit.

Maar dit is geen fotorubriek (ik heb zulke mooie!) dus ik moet er wat over zeggen ook. Maar hoe zeg je dat de zee je ziel vult, omdat het een stukje eeuwigheid lijkt? En je weer leert dat dat eeuwigheid geen harde grens heeft? Dat land, water en hemel langzaam in elkaar verglijden al glinsterend en blikkerend. Dat de zon, altijd en overal dezelfde ster, iedere dag totaal anders in de zee zakt. Dat iedere schelp net even anders is en schoonheid dus op het strand voor het oprapen ligt?

Maar dit strand ligt aan de kopse kant van de Oosterscheldekering en biedt naast de schoonheid van de schepping ook nog een imponerend en altijd mooi beeld van wat mensen kunnen als ze zich ergens toe zetten!

Ik houd van het contrast. Mensen zijn niet gemaakt om alleen maar in het oneindige te kijken. Maar ze hoeven ook niet altijd iets te maken of te doen. Vandaag liep ik aan het strand en bedacht ik me dat je misschien wel de mooiste dingen maakt als je af en toe je ziel oplaadt. Ik ben weer helemaal bijgetankt en in juli ga ik weer!

– Marieke Laauwen

Lentedagje (55)

Op de afbeelding staat een gedenkteken met de titel “Het verstoorde leven” van kunstenaar Arno Kramer. Je ziet een schuin oplopende geometrische figuur met een diepe kloof in de vorm van een bliksemschicht die de betonnen sculptuur in tweeën splijt. De gebroken steen verbeeldt het verstoorde leven van de Joodse slachtoffers van de holocaust. Het kunstwerk staat op de oever van de IJssel in Deventer, de stad waar de joodse studente Etty Hillesum is opgegroeid. Het monument is ook naar haar vernoemd, zij schreef in de Tweede Wereldoorlog dagboeknotities die bewaard zijn gebleven en in 1981 gepubliceerd onder de titel “Het verstoorde leven”. De kunstenaar heeft een citaat van haar gebeiteld in de steen: ‘Men zou een pleister op vele wonden willen zijn’.

Monument “Het verstoorde leven” van kunstenaar en dichter Arno Kramer, geplaatst in Deventer, waar Etty Hillesum van haar 10e tot haar 18e woonde.

Etty Hillesum begint met schrijven als ze 27 jaar oud is, maart 1941, ze studeert in Amsterdam. Het net sluit zich steeds nauwer rond de Joodse bevolking, razzia’s en deportaties zijn aan de orde van de dag. Etty is er geestelijk slecht aan toe, is somber en worstelt met gevoelens van minderwaardigheid en gebrek aan zelfvertrouwen, met levensangst. Zij zoekt hulp en vindt die in de persoon van Julius Spier, hij wordt haar geestelijk begeleider en geliefde. Hij adviseert haar om te gaan schrijven. Onder de hoogspanning van de oorlog, met de dood voor ogen, maakt zij een opmerkelijke ontwikkeling en geestelijke bloei door. Er groeit in haar een krachtig geloof, een vertrouwen dat zij weet te bewaren ook in die barre oorlogstijd. Haar dagboek breekt af in 1943, na een verblijf in kamp Westerbork wordt zij samen met haar familie gedeporteerd naar Auschwitz en sterft in november.

Vandaag gedenken wij alle slachtoffers van die oorlog, en beseffen we weer hoe kostbaar het leven in vrede en vrijheid is. En we beseffen ook dat gedenken verder reikt dan herinneren en benoemen wat er is gebeurd, zeggen ‘dit nooit meer’ en ‘opdat wij niet vergeten’. Gedenken vraagt ook om alertheid en verandering en verzet. In onze samenleving steekt steeds weer antisemitisme de kop op en is discriminatie op grond van kleur, geloof, seksuele voorkeur en sekse, bepaald niet verdwenen. De dichteres Ankie Peypers verwoordt het indringend in ‘De vrijheid kwam in het voorjaar’.

De vrijheid kwam in het voorjaar
de vrijheid komt in het voorjaar
kijk maar we vieren haar

ze kwam kapot en in tranen
ze had oorlog onder de leden
je kon niet geloven
dat komt ze te boven
haar lauwerkrans was voor doden

maar ze vroeg ons haar door te geven
ik lig in jullie handen, zei ze
wees niet stil, zoals ik niet stil was
denk niet dat het onmogelijk is
denk dat het onmogelijk is, maar doe het

neem me mee
naar waar ik niet ben
neem me mee, zegt ze
laat me leven

(Ankie Peypers, 2000)

– Matty Metzlar

Lentedagje (54)

Foto: Kgw (at) de.wikipedia.org, CC BY-SA 3.0

Afgelopen week lazen we bij het GSp het essay voor de maand van de filosofie, Vuurduin, geschreven door filosoof Eva Meijer. Ze vertelt hoe ze voor het schrijven van het essay een week op Vlieland verblijft, het vakantie-eiland van haar jeugd. Daar treft ze een eiland aan dat veranderd is. ‘Ik kan de zeepokken niet vinden’ (ik had daar ook nog nooit over gehoord), zo begint het essay.

Meijer stelt de vraag of er in tijden van klimaatverandering en verdwijnende ecosystemen alleen maar sprake is van verlies, of dat we er ook iets tegenover kunnen stellen. Een van de dingen die zij er tegenover stelt is boosheid. Dat is het fraaie van het genre van het essay, je hoeft je als schrijver niet in te houden.

Waar is de filosoof boos over? Ze is boos over de industriële manier waarop we met dieren omgaan, alsof het levenloze grondstoffen zijn. Ze is boos dat mensen zo gemakkelijk hun gezicht afkeren of mensen die onze omgang met de planeet bevragen ‘tuttutten’. Ze is boos over het verlies van eeuwenoude bossen door houtkap, vervuiling van de planeet en de nonchalance van de mens. Tot slot is ze teleurgesteld in de ervaring dat de emotie boosheid vaak belachelijk wordt gemaakt.

Ik denk inderdaad dat boosheid een slechte naam heeft. Het is een ‘negatieve’ emotie, geassocieerd met relschoppers, geweld, agressie, labiele Kamerleden, jengelige kinderen of onmachtige ouders. Toch denk ik dat Meijer iets belangrijks te pakken heeft wanneer ze stil staat bij haar eigen boosheid. Boosheid heeft een sterke signaalfunctie: het kan duiden op een angst die sluimert en nog niet benoemd is, of duiden op rouw. Zowel angst over de gevolgen die ons staan te wachten als rouw over het verlies van een wereld die verdwijnt kunnen een reden voor boosheid en woede zijn.

In de christelijke traditie kennen we zoiets als heilige woede. Woede over onrecht. Het is dan de kunst om de woede niet bezit van je te laten nemen, of om je woede op je omgeving af te reageren. Heilige woede is je woede heiligen. Je doet dat door je te blijven opwinden over alles wat er niet goed gaat zonder dat je ziel er onder gaat lijden. Ik denk dat hier duidelijk wordt waarom het gebed zo’n centrale plaats heeft in het christelijke leven. Het is het ventiel waardoor de opgebouwde boosheid kan ontsnappen.

Door te letten op woede van mensen, kunnen we misschien ook meer oog krijgen voor hun angst of verdriet. In plaats van te denken, ‘wat een naar persoon’, kunnen we ook zeggen, wat gaat hem of haar nu zo ter harte? Wat dreigt iemand te verliezen, of wat heeft iemand al verloren?

Eva Meijer idealiseert de boosheid ook niet. Naast dat het ons de ogen kan openen voor wat we echt geloven, kan het ook onze blik vertroebelen. Ook hierin lijkt boosheid op verdriet. C.S. Lewis schreef het al, het is moeilijk scherp zien met ogen die gevuld zijn met tranen. Daarom moeten de tranen ook weer worden afgewist. Wij troosten elkaar in tijden van verdriet, zou het ook kunnen in tijden van woede? Of moeten we de heilige woede in elkaar juist aanwakkeren?

– Arjen Zijderveld