Aan de Martinidienst van zondag 29 oktober is het motto “Vreemdeling zijn in dit aardse leven” meegegeven. We lezen woorden van de apostel Paulus uit zijn tweede brief aan de Korintiërs, waarin de kwetsbaarheid van ons aardse bestaan, maar ook het Godsvertrouwen dat ons gaande houdt, tot uitdrukking komt.
Het is de zondag die het dichtst bij de begindagen van november, Allerheiligen en Allerzielen, ligt.
Traditioneel gedenken we op deze zondag in onze oecumenische viering de mensen die ons de eeuwen door in geloof zijn voorgegaan. De “gemeenschap der heiligen”, die gevormd wordt door allen die hun levensweg zijn gegaan in geloof en vertrouwen. Grote namen uit de wereldgeschiedenis, maar ook dierbaren die in ons persoonlijk leven een rol hebben gespeeld en die we nu moeten missen. Voor ieder die dat wil, is er de gelegenheid een kaarsje aan te steken ter nagedachtenis.
Voorganger in deze dienst is Tiemo Meijlink. Met medewerking van een gelegenheidskoor, bijeengebracht op initiatief van Stineke Haas. Muzikale begeleiding door Eeuwe Zijlstra op het grote Martiniorgel en door Simon Geleynse op de piano. Aanvang 11:30 uur. Welkom!



De pelgrimage is een type reis die tegenwoordig erg populair is, een tocht naar een heilige plaats zoals Santiago de Compostela. In de middeleeuwen ging men om boete te doen, om het geloof te versterken of een plaatsje in de hemel te verwerven. Tegenwoordig zijn er ook andere motieven zoals een crisis in je leven, of een sabbatical, of omdat je bezinning zoekt en van wandelen houdt. De reis is de bestemming, de weg is het doel, zoals de tekst Camino het zo mooi verwoordt.
Het lied doet ons onmiddellijk terugdenken aan Pasen, aan de opstanding van Christus en aan de boodschap dat de dood nooit, maar dan ook nooit het laatste woord zal hebben. Het besef dat God zich, dwars door de diepste duisternis van de dood heen, om het lot van zijn volk bekommert, dat is waar we in de viering op deze zondagochtend 1 oktober bij stil zullen staan. Dit naar aanleiding van de evangelielezing uit Lucas 7 over de opwekking van de jongeling uit het plaatsje Naïn.

